Het volgende artikel beschrijft o.a. ons huis, de huidige B&B Gerlachus!

HET TOERISME IN HOUTHEM 50 jaar geleden en nu

Door Ger Sleijpen

Verschenen in: Zo veranderde Houthem. Herinneringen aan voorbije tijden, Heemkundevereniging Houthem Sint Gerlach, 2018.

De aanleg van de spoorlijn van Maastricht naar Heerlen in 1852 waarbij in Houthem een station werd aangelegd was de voornaamste reden van het ontstaan van toerisme in de plaats. De beroepen in Houthem waren overwegend mannenberoepen. De vrouw moest het huishouden doen en kinderen baren en opvoeden. Door het toerisme veranderde dat. Er ontstonden relatief veel familiehotels en pensions en daar werkten vooral veel vrouwen. Vrouwen kookten, ze serveerden, maakten de kamers dagelijks schoon en ze deden de was. Het duurde toch nog enige tijd voordat de toeristen de weg naar Houthem vonden. Het mooie landschap lokte aanvankelijk schilders en schrijvers en toen het VVV in Valkenburg werd opgericht werd er ook aan reclame gedaan maar wel in bescheiden mate. De mannelijke bevolking bestond vooral uit landbouwers, mijnwerkers, ambachtslieden en kantoormensen. De eerste twee beroepen zijn nagenoeg uitgestorven en het aantal vaklieden is sterk teruggelopen.

Het hoogtepunt van het toerisme was de perioden 1960-1975. Ik herinner me nog goed dat het op zaterdag in de zomer een drukte van jawelste was op de perrons van het station in Houthem van gaande en komende toeristen. Dat begon met Pasen en duurde tot de herfst in oktober. Ik vond dat een spannende en romantische tijd. En door de vele karweitjes in het hotel van mijn oma en tantes (het voormalige Hotel gezusters Sleijpen) leverde dat een welkome aanvulling op mijn zondagsgeld op. Er logeerden maximaal 20 gasten en soms meer maar dan gingen ze elders in dépendances slapen. Dat was toen heel gewoon. De huishoudens met iets meer woonruimte verhuurden slaapkamers in de zomer. Zelf sliep men dan op zolder. Men adverteerde met zinnen als: kamers te huur met stromend water. Tegenwoordig vraagt met een kamer met bad, tv, wifi etc.

Zoals eerder vermeld kwam ik op een natuurlijke wijze in contact met het toerisme in Houthem. De beschrijving van navolgende details die exemplarisch zijn voor andere familiehotels in Houthem geven een goed beeld van het toerisme uit die periode. Dat beeld werd versterkt doordat hoteleigenaren onderling contact hadden en weleens kwamen buurten: De beide Annekes van het naburige hotel van de Weijer of Mw. de Ruyter van de overburen. Er werd dan informatie uitgewisseld. Maar ook bij het doen van boodschappen in het dorp werden wetenswaardigheden uitgewisseld of via de bakkers, slagers etc. die de waren rond brachten. Het in Valkenburg opgerichte VVV speelde daarbij een kleine rol.

Mijn oma was voor de oorlog een pension begonnen en dit werd na de Tweede Wereldoorlog uitgebreid tot een hotel waar ca. 20 gasten konden verblijven. Mijn overgrootvader was al een hotel begonnen in het voormalige hotel Roeloffzen, later hotel Garritsen, nog later café Verhoef en nu een appartementencomplex. Dat was toen het ‘groot’ hotel Sleijpen, later kwam daar het hotel Gezusters Sleijpen bij. Samen met mijn oma werd het familiehotel geleid door mijn tantes: Mariëtte, Pauline en Emmie. Toen ik de lagere school vanuit Strabeek in Houthem-Vroenhof bezocht, glipte ik vaak naar binnen. In een dergelijk hotel is zeker voor een jongen vanaf 7 jaar heel wat te beleven. Vooral de grote keuken met het centrale fornuis dat nog met hout en “sjlam” werd gestookt vormde het middelpunt van het hotel. Vaak kwamen gasten in de keuken hun verhalen van gebeurtenissen tijdens hun uitstapjes vertellen. Sommigen gingen met de bussen van het touringcarbedrijf “de Valk” dat tegenover het hotel lag, naast de toenmalige kapperszaak van Bours, naar het buitenland. Dat buitenland was toen, althans voor mij, Frankrijk (Givet), Duitsland (Eifel), België (Ardennen) en Luxemburg. Soms mocht ik met een bus mee. Dat waren spannende en avontuurlijke tochten. Maar er werd ook om informatie gevraagd over wandeltochten in de buurt.

Later zou ik van twee wandelingen een zelfbenoemde gids worden. Een wandeling voerde over de Goudenroodsweg en Elsenweg (de panoramawandeling) en de tweede voerde over de z.g. “zeven heuvelen” richting Vilt Berg en Terblijt en langs de Geul terug. Toen ik wat ouder werd mocht ik de tafels dekken: ’s morgens voor het ontbijt het blauw geaderd Saksisch thee-en koffieservies. Voor de lunch en het diner werd wit hotelservies gebruikt met echt zilveren bestek. Dat laatste zou nu niet meer mogelijk zijn. Soms mocht ik warme gerechten samen met mijn tantes serveren, ik droeg toen een keurig wit overhemd met een “nondesjuuke” (vlinderdas) om. Dan kreeg ik veel complimenten van de gasten.

Tante Polla (eigenlijk Pauline) was de kok, ze kreeg altijd veel lof toegezwaaid voor haar eenvoudige maar heerlijke maaltijden. Haar kookkunst had een aantal specialiteiten. Bouillon werd wekelijks vers getrokken van soepvlees en botten, de gekookte pudding werd voorzien van een heerlijke laag sap gemaakt van “wiemelen” uit eigen tuin (rode aalbessen) en de mayonaise werd gemaakt van gekruimelde gekookte aardappelen, een paar eieren, mosterd en olie, waarbij het roerproces van groot belang was. Haar zelfgemaakte nasi, die niet erg veel leek op de nasi van de huidige Chinees, was zeer gewild. De gasten verhingen zich voor de kervelsoep waarin verse maggi en zuring uit de Koalef, de groentetuin niet ontbraken. Het gewicht van de gasten bleek na een vakantie van ca. 2 weken ‘enigszins’ toegenomen te zijn. Mijn oma bleef tot haar tachtigste flink meewerken, ze was vooral bezig met voorbereidende werkzaamheden aan de groenten die vrijwel geheel uit de eigen grote koalef kwamen.

Tante Mariëtte voerde het “management” van het hotel. In de herfstmaanden tot aan het voorjaar als het hotel gesloten was, werden de reserveringen op een groot vel ruitjespapier aangegeven met een cijfer voor de familie in het vierkantje, in de regel stond het kamernummer en in de kolommen stond de datum. De bevestigingen werden per brief afgehandeld. Eerst met vulpen en later met een mechanische typemachine. Op zaterdag arriveerden en vertrokken de meeste gasten, soms ging ik op het perron met de naam van het hotel staan wachten om de koffers te dragen en soms bracht ik gasten ook weer weg. Op den duur ontstond met sommige gasten een band, want het kwam toen nog veel voor dat gasten jarenlang ieder jaar weer terugkwamen. Sommige gasten waren schilders of schrijvers. Die kwamen vooral in het rustige najaar. In de periode dat het hotel was gesloten, in de wintermaanden, werd veel onderhoudswerk gedaan. Verfwerk aan de houten meubelen, plafonds schilderen, kamers behangen, de tuin opruimen en winterklaar maken. Er was altijd wel werk te doen. Rond de tijd dat ik uit school kwam, werd samen koffie gedronken en werden allerlei dagelijkse zaken besproken. In de grote tuin groeide veel fruit zoals appels, peren, pruimen, bessen, kersen en hazel- en walnoten. Bovendien werden er konijnen en kippen gehouden.

Wiel Crutzen kwam iedere morgen vers gebakken brood en pistolets brengen en Ton Walschot zorgde voor het vlees. Math. Janssen zorgde voor de zuivelproducten. Houthem telde toen overigens meer bakkers en slagers. Verder werden er wat kleine boodschappen gedaan bij drogisterij Anneke Senden, bij kruidenier Knips en de “Coöperatie” (later café de Pul en thans privé bezit). Een keer per 14 dagen kwam de kaasboer helemaal uit Alkmaar en ik mocht dan altijd een heerlijk stukje jonge kaas proeven. Ook koffie, limonade, bier, wijn en sterke drank werd door leveranciers persoonlijk afgeleverd. Er lag achter de tuin (het gazon en terras) een grote koalef, in het voorjaar werd deze omgespit, “geweld” en daarna werd gezaaid en gepoot. In keurige rijen langs stokken met touw. Mijn oma oogstte de tuinproducten en maakte de groente schoon en dat was zeker bij (snij-)boontjes een hele klus. Als de processie trok, werd gesierd en werd bij hotel Roeloffzen, het toenmalige schutterslokaal, de schutterij geïnspecteerd. Aan de waranda voor het hotel, die helaas niet meer bestaat, heb ik goede herinneringen. Als kind kon je er in de winter prachtig spelen en als de carnavalsoptocht langs kwam, soms met koud weer, had je er een prachtig en vooral warm uitzicht. Houthem was toen nog een overwegend agrarisch dorp met veel rust. Paard en kar kwamen nog voor. Bekende hotels in die tijd waren o.a. hotel Roeloffzen (nu appartement), van de Weijer (nu woonhuis), Gez. Sleijpen (nu woonhuis), Geuloord (nu woonhuis), de Ruiter (nu woonhuis), Sonnenblinck (nu woonhuis), het Geuldal (vastgoedzaak), Lahaye (bestaat nog), Kusters (nu woonhuis), Stijnen (bistro), Caldenborgh (nu woonhuis), Quax, Belair (bestaat nog, Vue des Montagnes (nu hotel Vue), Curfs-Coevreur (nu woonhuis), Hummels (gesloten), de Geulhemermolen (bestaat nog), hotel Geulzicht en nog een handvol pensions.

Het kwam in die tijd vaak voor dat gasten gingen slapen in dependances. Een of twee kamers van een gewoon woonhuis werden dan aan een hotel of pension verhuurd. Zo plukte iedereen een graantje mee van het toerisme. Het toerisme liep einde zeventiger jaren sterk terug. Dat kwam voor een deel door de veiligheidsvoorschriften die de gemeente voorschreef. Bovendien waren veel hotels familiehotels, en omdat velen een baan buitenshuis vonden moest “vreemd” personeel worden ingehuurd, wat natuurlijk een behoorlijk hogere kostenpost was. De toenemende globalisering werkte ook door in het toerisme. Men zocht per bus of vliegtuig verre oorden op. Door de veel grotere zakelijkheid verdween veel van de romantiek rondom het toerisme. Vele hotels hielden het toen voor gezien en hun eigenaren gingen appartementen bouwen in het hotel of sloten het hotel of pension en maakten er een woonhuis van.

Door de verwerving en de restauratie-aktiviteiten aan het voormalig woonhuis van de Baron werd Château St. Gerlach op de kaart gezet door Camille Oostwegel en kreeg het toerisme vanaf de opening in 1997 in Houthem een stevige impuls. Wat herinnert Camille zich nog over het toerisme in zijn jonge jaren en daarna?
“Het leek als of er maar een paar huizen waren waar in de zomer geen toeristen verbleven. Houthem had relatief veel hotels, pensions en dependances. Veel families kwamen vele jaren terug en dat zorgde voor veel gezelligheid in het dorp.”
Camille sjouwde ook weleens met koffers, voor een dubbeltje bracht hij een koffer naar het juiste hotel. Met zijn broers maakte Camille samen met oom Jeu op de zondagen lange natuurwandelingen in de omgeving. Toen ontstond zijn liefde voor het prachtige heuvellandschap met talloze verrassende landschapselementen waarover hij later in door hem georganiseerde cultuurwandelingen zou vertellen.
Zijn vader kookte iedere zondag bijzondere gerechten. Die hobby, naast zijn beroep als tandarts, was vrij plotseling ontstaan en breidde zich uit vooral toen hij de culinaire encyclopedie van Elsevier kocht en hij aan het experimenteren sloeg. Met de Kerst maakte hij traditioneel 120 saucijzenbroodjes. Die stelde hij zelf samen. Met veel geduld maakte hij flinterdunne deeglaagjes die als bladerdeeg dienden. Vele weken at het gezin op zondag deze lekkernij. Ook reisde hij graag naar het buitenland waardoor Camille Parijs leerde kennen in de tijd dat zijn toenmalige lagere school klasgenoten van meester Sjeng Curfs leerden waar Parijs lag. Zijn vader ging ook graag uit eten met zijn gezin. Zo dineerden ze geregeld in Château Neercanne en Hotel Prinses Juliana. Hij bestelde in die tijd af en toe kreeften en oesters voor zijn gezin. Die werden per trein vanuit Zeeland aangeleverd en de toenmalige Houthemse stationschef Martens belde dan op als er weer een pakket verse vis gearriveerd was. Volgens Camille werd toen de kiem gelegd voor zijn liefde voor de horeca. Dat werd later bevestigd door klasgenoten op de middelbare school waar hij zich toen al liet ontvallen dat hij later een eigen hotel wilde beginnen. Zijn vader was enthousiast en stimulerend toen Camille ging studeren aan de Hogere Hotelschool.

Tijdens de studietijd aan de Hogere Hotelschool te Maastricht werkte Camille af en toe in café het Witte Paerd, hotel Geuldal (v. Bergen), hotel Roeloffzen en hotel Bel Air (nu Fletcher keten). Hij wilde op alle terreinen van de horeca ervaring opdoen. Na het behalen van zijn diploma ging hij o.a. werken in Frankrijk in de Novotel keten als eerste niet Fransman! Terug in Nederland haalde hij vanaf 1980 kasteel Erenstein uit het slop. Zijn droom werd werkelijkheid toen Château St. Gerlach, na het overlijden van baron Selys de Fanson, door het kerkbestuur te koop werd aangeboden. Tijdens de langdurige en gecompliceerde onderhandelingen ontdekte hij dat baron Selys de Fanson geboren was op kasteel Erenstein. Dat gaf hem het zelfvertrouwen dat het wel goed ging komen bij het onderhandelen met het kerkbestuur. Na een lange restauratieperiode werd In 1997 Château St. Gerlach geopend door Mr. Pieter van Vollenhoven. Op het openingsfeest was bijna heel Houthem aanwezig.

In de beginjaren waren ruim 50 medewerkers werkzaam op het Château. Twintig jaar later zou dat uitgroeien tot ca. 125 medewerkers. Er logeren momenteel op jaarbasis ca. 35000 gasten. Dat zijn niet alleen vakantievierders en rustzoekers maar ook bezoekers van beurzen in de omgeving bijvoorbeeld de Tefaf in Maastricht. Door de recente verwerving van kasteelhoeve Broers en de bouw van het St. Gerlach paviljoen met 1300 m2 oppervlakte stijgt ook het aantal congressen en bijeenkomsten. Dat heeft natuurlijk ook positieve gevolgen voor het aantal overnachtingen op het Château. Gasten komen voor een groot deel uit de randstad maar ook uit de omliggende landen zoals Duitsland, Belgie en Engeland of zelfs uit Azië. Camille heeft altijd gelooft in de formule kasteel en hotel. Kastelen worden van de ondergang gered doordat de horeca er een verdien model aan koppelt. Die filosofie werd al gauw door anderen overgenomen. Camille is niet bang voor concurrentie door goedkope vakantielokkers uit het verre buitenland of goedkoop internet aanbod. Zijn gasten zoeken gezelligheid, culinaire genoegens, kwaliteit en rust in een prachtige omgeving. Steeds meer jongere mensen die met hun ouders op vakantie komen ontdekken ook de geneugten van een goed gastheerschap. Café Quicx, onderdeel van de gerestaureerde en vernieuwde kasteelhoeve biedt op een laagdrempelige wijze fietsers en wandelaars de mogelijkheid om op verhaal te komen in een mooie historische ambiance. In hetzelfde gebouw kan men genieten van streekproducten uit eigen omgeving en zelfs artisanaal brood wordt voorlopig op beperkte schaal verkocht. Daardoor speelt de Oostwegel Collection in op de trend dat mensen steeds meer willen bewegen en gezond willen eten en genieten van streekproducten. Uiteraard profiteren de leveranciers in de regio ook van het bedrijf. Houthem telt nog maar een paar ondernemers die daarvan profiteren. Eierhandel Jean Cerfontaine is er daar een van. Naar schatting leveren de ondernemers jaarlijks voor een paar miljoen euro aan producten en/of diensten. Dus ook voor de omgeving van Houthem is de Oostwegel Collection een economische motor.

Momenteel is Camille druk bezig met een nieuwe bestemming van het grote akkerland perceel achter het kapelletje aan de overkant van de kasteelhoeve. Er wordt nagedacht over de combinatie treinvervoer en logies door reizen met de trein toegankelijk tot bestemming te maken. Daardoor wordt ook de reismogelijkheid per trein naar Houthem weer van een nieuwe impuls voorzien. En zorgde de aanleg van de spoorweg in 1853 nou net niet voor een belangrijke stimulans van het toerisme in Houthem? De cirkel lijkt rond.
Het levendige en kleinschalige toerisme dat Houthem tot ca 1975 kenmerkte is verdwenen. In de plaats daarvan is door de komst van Château St. Gerlach het toerisme in Houthem blijven bestaan, het is ten opzichte van vroeger zelfs uitgebreid. Natuurlijk zijn er nog een aantal hotels overgebleven maar dat is niet meer te vergelijken met de toptijd in de zestiger jaren van de vorige eeuw.